Vereniging van vrijzinnige gelovigen in Fryslân
Beweging voor eigentijds geloven
algemene info     organisatie     kerkdiensten     activiteiten     jongeren     waalse kerk     voorganger     contact

De actualiteit van vrijzinnigheid

Meerten ter Borg

 

Als er iets is waaraan hard behoefte is in het huidige geestelijke klimaat dan is het wel vrijzinnigheid. Daarbij heb ik het niet over een kerkelijke stroming die zichzelf volgens velen overbodig heeft gemaakt, en die links en rechts is ingehaald: links door het atheïsme en rechts door de orthodoxie. Een stroming die men duldt omdat ze volstrekt ongevaarlijk is. Ik heb het al evenmin over een politieke stroming die alles wat zinnig is van links en rechts in zich verzamelt.

Ik wil het daarentegen hebben over vrijzinnigheid als mentaliteit, als emotie. Als een manier van denken en voelen die voortkomt uit kracht. Dus als het tegendeel waarvan vrijzinnigheid vaak wordt uitgemaakt. Vrijzinnigheid is niet een dolgedraaid relativisme dat door haar tegenstanders kan worden weggezet als slappe hap, als een laffe weigering om conclusies te trekken, om consequent te zijn. Ik heb het niet over de neiging om de kool en de geit te sparen of over de opportunistische aandrift om van twee walletjes te eten. Vrijzinnigheid is voor mij geen synoniem voor zwakheid, voor slappe knieën, voor gebrek aan ruggengraat, voor een standpunt zonder pit, of om het eens te zeggen in het idioom van vandaag de dag: voor een houding zonder kloten.

Vrijzinnigheid zie ik als het lef om pal te staan voor een standpunt of een doctrine, en tegelijkertijd dit standpunt niet te verabsoluteren. Het is het vermogen je in te zetten voor een traditie, verknocht te zijn aan die traditie en tegelijkertijd de tekortkomingen erin te herkennen en te benoemen. Het is het vermogen te erkennen dat jouw beeld van de werkelijkheid, hoe vanzelfsprekend dat ook lijkt, hoe groot je gehechtheid eraan ook is, toch ook maar een interpretatie is.

Vrijzinnigheid is het vermogen het menselijke te zien in het denken en doen van je tegenstander. Vrijzinnigheid is de andersdenkende in zijn waarde laten, ook al komt dat strategisch wat minder goed uit. Vrijzinnigheid is tolerantie ten aanzien van je tegenstander. Het is je tegenstander accepteren met al zijn kleinzieligheden. Een vrijzinnige voelt diepe weerzin tegenover hen die zijn standpunten verdedigen, maar met middelen die onbeschaafd of onmenselijk zijn. Om het op vandaag te betrekken: een vrijzinnige voelt diepe weerzin tegen de manier waarop sommigen in het huidige debat moslims de waarde van vrijheid van meningsuiting inpeperen door hen te beledigen en te kwetsen. ‘Kwetsen moet’, kun je de zelfingenomen radikalinski’s van het vrije woord horen roepen. Een vrijzinnige gruwt daarvan. Hij gelooft niet dat iemand zich thuis zal voelen in een samenleving waarin kwetsen en beledigen van wat hem heilig is tot de hoogste standaard van beschaving wordt verheven.

Een vrijzinnige zal zijn eigen provinciale bekrompenheid niet aanzien voor de hoogste staat van Verlichting. Hij zal niet snel het geloof van een ander vervormd weergeven om daarmee de hedendaagse Voltaire uit te hangen. Hij gelooft niet dat je de Verlichting voor mensen aantrekkelijk maakt door ze onmiddellijk te confronteren met de meest radicale consequenties ervan. Een vrijzinnige kan ertegen als iemand hem of haar uit vooralsnog onbegrijpelijke religieuze motieven geen hand wil geven.

Een vrijzinnige heeft geduld, compassie. Hij zal niet van een tegen zijn zin in de moderne stad verdwaalde armoedzaaier uit het Atlasgebergte verwachten dat hij zich op stel en sprong overgeeft aan de geneugten en de verworvenheden van de Westerse permissiviteit. Een vrijzinnige weet dat mensen en culturen tijd nodig hebben om te worden wie ze zijn. Hij begrijpt dat hoezeer ze zich ook aan zullen passen, ze nooit zo zullen worden als hij het wenst. Een vrijzinnige verschanst zich niet veilig in het bastion van zijn eigen gelijk, maar meet zijn standpunt aan dat van de ander. Een vrijzinnige vergelijkt, wikt en weegt, neemt het standpunt van de ander serieus, neemt de kritiek van de tegenstander ter harte en doet er zijn voordeel mee. Hij integreert dat standpunt in zijn eigen traditie en herijkt die.

Als hij bijvoorbeeld geconfronteerd wordt met het maagdelijkheidsideaal van moslims reageert hij niet alleen met de kreet ‘alles moet kunnen’, maar herijkt hij ook zijn eigen seksuele moraal. Hij accepteert de spanning die kan ontstaan tussen twee aantrekkelijke standpunten en probeert met die spanning tot nader order te leven. Hij verafschuwt het relativisme niet maar hij omarmt het, zonder zijn eigen traditie en standpunten te grabbel te gooien. Hij is zozeer overtuigd van zijn eigen mentale veerkracht dat hij het relativisme aandurft. Omgekeerd is hij zozeer doordrongen van de relativiteit van zijn eigen standpunten dat hij weet dat het overleven ervan niet vanzelf gaat maar ook van hem, van zijn strijdvaardigheid afhangt.

Zoals Nietzsche zei aan het einde van een betoog dat erom ging dat ieder menselijk standpunt, relatief is en slechts een interpretatie van de werkelijkheid: ‘Nu zullen de slimmeriken onder U mij tegenwerpen dat mijn standpunt ook maar een interpretatie is… Nou, des te beter!’ Cultuur is voor de vrijzinnige een goede strijd tussen standpunten, waarbij men de beste kanten van de ander tot zich laat doordringen, hoezeer men de standpunten van de ander in het algemeen ook verafschuwt. Het is niet een strijd waarbij de beste wint, maar waarbij het erom gaat dat het beste van het ene standpunt zich verenigt met het beste van het andere standpunt. Dat niet de beste wint, maar het beste.

Sommigen denken dat vrijzinnigheid links is. Dat is niet noodzakelijkerwijs het geval. Vrijzinnig conservatisme is geen contradictio in terminis. Een lichtend voorbeeld voor mij is nog altijd de Franse denker Alexis de Tocqueville (1805-1859). Hij verafschuwde, als man van adel, in het begin van de negentiende eeuw de komst van de democratie in zijn moderne vorm. Maar in plaats van zich te voegen bij de reactionaire scheldkanonnen ging hij naar de Verenigde Staten, waar de opbouw van de democratie verder gevorderd was. Hij wilde zien hoe het systeem werkte, wat de consequenties ervan waren, welke mechanismen het bevatte, wat ervan te maken was, in hoeverre de komst van de democratie te rijmen viel met zijn eigen idealen. Hij keerde terug naar Frankrijk, schreef een dik boek over de Amerikaanse democratie dat na 150 jaar nog steeds niet is overtroffen. En hij ging de politiek in om de door hem onvermijdelijk geachte democratie zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met zijn eigen conservatieve idealen. Zelf zou hij zijn houding honnèteté genoemd hebben. Voor mij is het vrijzinnigheid.

In zekere zin deden de modernistische Leidse theologen in de tweede helft van de negentiende eeuw niet veel anders. Zij zochten naar wegen om de moderne levenshouding en de moderne natuurwetenschappen, waaronder ook het Darwinisme, te combineren met de religieuze traditie waarin zijn waren opgegroeid en waarvan zij hielden. Ze deden dat met wisselend succes, maar consequent vanuit de mentaliteit die ik hier vrijzinnig heb genoemd.
Een ander voorbeeld speelt bijna een eeuw later, in Nederland tijdens de Duitse bezetting: de doorbraakbeweging. Het ging om het doorbreken van het vastgeroeste Nederlandse systeem van verzuiling, waarbij iedere gezindte zich had verschanst in zijn eigen levensbeschouwelijke gelijk. Een aantal door de Duitsers in gijzeling genomen intellectuelen en politici slaagden erin de tegenstellingen tussen de verschillende geharnaste politieke standpunten te doorbreken. Zij ontdekten tot hun verrassing dat er meer was dat hen bond dan wat hen scheidde. Dat er na de bevrijding in de praktijk niet onmiddellijk al te veel van werd gerealiseerd, hoeft achteraf niet te verbazen. Ideeën hebben tijd nodig om tot de werkelijkheid door te dringen.

Eén van de hoofdrolspelers in die doorbraakbeweging was de vrijzinnige predikant Willem Banning. Na de oorlog werd hij de eerste hoogleraar godsdienstsociologie te Leiden. Eén van de vele boeken die hij in die hoedanigheid schreef was getiteld Hedendaagse Sociale Bewegingen. Uit dit boek blijkt hoezeer hij zich had ingeleefd in de verschillende standpunten van zijn gesprekspartners. Hij gunde hen hun eigen gelijk en hield daarbij vast aan het zijne, zonder het te verabsoluteren. Dit is vrijzinnigheid in actie.

De reactie van de tegenstanders van vrijzinnigheid is altijd dezelfde. Je kunt er de klok op gelijk zetten. De vrijzinnigen worden van halfhartigheid beschuldigd. Ze krijgen te horen dat ze inconsequent zijn. Als je het niet meer helemaal gelooft, wees dan consequent en eerlijk en geloof dan helemaal niet meer. De vrijzinnigen worden met hoon overladen, en het zijn steeds variaties op hetzelfde thema, of het nu gaat om Multatuli in 1872 of Dawkins in 2007. Geloof alles of geloof niets. Het boegbeeld van de gereformeerde vrijzinnigheid Harry Kuitert wordt door de historicus Versnel met soortgelijke argumenten bestreden. En zo zijn er nog vele anderen.

Vaak wordt de integriteit van de vrijzinnigen in twijfel getrokken. Waarom verlaten de modernistische (lees: vrijzinnige) dominees volgens Multatuli niet de kerk? Omdat ze dan hun mooie baantje kwijt zijn. Maar het is nu juist de kracht van de vrijzinnigheid dat zij tegen dit binaire denken in opstand komt. Het is de poging de tegenstellingen te overwinnen die het denken en de dialoog gaande houdt. En gezegd moet worden dat Nederland hier een traditie heeft hoog te houden.

Het is verleidelijk om deze glorieuze traditie van de Nederlandse vrijzinnigheid te schetsen en die schets te laten beginnen bij Erasmus en Coornhert en hem te laten uitmonden in U en ik. Maar het is meer ter zake de Nederlandse geschiedenis, met zijn strijd tussen rekkelijken en preciezen, met zijn gepolder en zijn eindeloze compromisbereidheid, te beschrijven als een langdurige oefening in vrijzinnigheid. Daaruit blijkt dat vrijzinnigheid een mentaliteit is die bevochten moet worden, telkens opnieuw. Het zou interessant zijn sociologisch onderzoek te doen naar de sociale omstandigheden waaronder de vrijzinnigheid zich geleidelijk ontvouwt. Vrijzinnigheid betekent het loslaten van dogma’s, projecties, stereotypen waaraan men zijn houvast kan ontlenen. Daarvoor is behalve de inspiratie van een charismatische figuur als Coornhert een maatschappelijke positie nodig, die een zekere onbezorgdheid met zich meebrengt. Dat geeft niet alleen de ruimte voor vrijzinnigheid; het maakt ook dat men zich een meer vrijzinnige houding kan permitteren.

Ik maak mij sterk dat er een zekere affiniteit is tussen de vrijzinnige mentaliteit en een commerciële oriëntatie. Dit idee van affiniteit tussen handelsgeest en vrijzinnigheid is een variatie op Max Webers Wahlverwandtschaft tussen kapitalistische geest en protestantse ethiek. De hypothese die hier in feite wordt geponeerd is dat succesvol handelskapitalisme een zekere Wahlverwandtschaft heeft met vrijzinnig protestantisme. Anders gezegd, de Hollandse handelsgeest zou de vrijzinnige mentaliteit kunnen hebben versterkt. Deze heeft immers geleid tot een zekere gewenning aan een pluralistische situatie. Men moet ervaren hebben dat met mensen die er andere principes op na houden, niettemin te praten en te werken valt. En dan is er het ‘gezonde wantrouwen’ van de koopman en van de vrijzinnige. Daar komt bij dat ambitieus ondernemerschap de wens kan doen postvatten om allerlei dogmatische obstakels uit de weg te ruimen en zo de handelingsvrijheid te vergroten. Hierdoor wordt vrijzinnigheid meer dan een geestelijke oriëntatie. Het wordt een machtsmiddel en als men succes heeft een statussymbool. Vrijzinnigheid is niet voor niets een eigenschap van mensen die zich een eigen mening kunnen permitteren en daar wel bij varen.

Elitair
Uit deze historische schets kunnen we vele verschillende lessen trekken. Eén van die lessen is: vrijzinnigheid is een elitaire levenshouding. Het is niet of lang niet altijd de houding van de meerderheid, maar die van een kleine, machtige minderheid. Dat roept op zichzelf al weerstand op. Die weerstand resulteert van tijd tot tijd in opstanden tegen een orde zoals die door vrijzinnigen mede is vormgegeven. Dat loopt, om maar twee gebeurtenissen te noemen, van de moord op de gebroeders De Witt in 1672 tot de Fortuyn-revolte 330 jaar later.

Met die opstand tegen de vrijzinnigheid is iets bijzonders aan de hand. Het is geen gewone opstand tegen de baas. Het is niet of niet uitsluitend een klassenfenomeen. Ik heb vrijzinnigheid een elitaire levenshouding genoemd. Dat is iets anders dan de levenshouding van de elite. Het gaat dan ook om een opstand tegen de soevereiniteit van het vrijzinnige relativisme. Het relativeren van de absolute zekerheden waarin mensen zich veilig wanen irriteert en beangstigt. Daarmee roept de vrijzinnige agressie op. Niet omdat hij het voor het zeggen heeft. Het is de agressie tegen de existentiële onzekerheid die de vrijzinnigheid oproept. Die agressie wordt door vrijzinnigen niet goed begrepen, omdat ze zichzelf niet goed begrijpen. Een vrijzinnige ziet zichzelf niet als elitair, en zijn vrijzinnigheid al helemaal niet. Hij ziet zijn mentaliteit, zijn levenshouding, als iets vanzelfsprekends. Maar dat is zij dus niet. Zij wordt door vele buitenstaanders als elitair en bedreigend ervaren. Alleen al de laconieke manier waarop vrijzinnigen reageren op zaken die door veel mensen als bedreigend worden ervaren wekken agressie op.

Dat de vrijzinnigen zich van die elitaire uitstraling te weinig rekenschap geven, hoeft niet te verbazen. Ook doordat elitair zijn politiek incorrect is, en tegen de algemeen geaccepteerde gelijkheidsmoraal indruist, hebben de vrijzinnigen de neiging hun elitaire positie te ontkennen. Zo hebben ze zichzelf met een vals zelfbeeld opgezadeld. Dit valse bewustzijn van de eigen positie maakt dat ze de zingevingscrisis die het gevolg is van immigratie en globalisering niet goed kunnen duiden. Ze hebben te weinig tot zich laten doordringen dat zij als elite misschien opgewassen is tegen nieuwe vormen van zingeving, maar dat de meeste mensen zich niet in zo’n positie bevinden. Daarmee doen ze zichzelf tekort en kunnen ze geen gehoor geven aan wat ik hier toch wel als de roeping van de vrijzinnigheid heb geschetst: het onvermijdelijke verzoenen met de eigen traditie zonder die traditie op te geven.

Er zijn mijns inziens twee dingen die de vrijzinnigheid in dit opzicht te doen staan. Ten eerste het verheffen van de openbare discussie naar een aanvaardbaar niveau, om zo, ten tweede, te komen tot het begrijpen van en het ingrijpen in de anomische crisis die Nederland momenteel teistert. De natie-brede anomische crisis, die chronisch lijk te zijn, komt voort uit de ontwrichtende werking van de revolutionaire veranderingen waaraan Nederland is blootgesteld, zoals de grootste migratiegolf sinds de vroege Middeleeuwen; de globalisering met als symptomen het verdwijnen van arbeid naar lage lonen landen en van hoofdkantoren naar belastingparadijzen; de Europese eenwording met als belangrijkste symptoom een onbegrijpelijke regelgeving. Dat geeft veel mensen het gevoel dat ze geen baas meer zijn in eigen huis.

Deze processen leiden tot een chronische anomie gepaard aan rancune die zich in van alles uit: in de al genoemde revolte van professor Pim, in de avontuurlijk carrières van Geert en Rita, in het verwerpen van de Europese grondwet, en in een buitensporige angst voor de islam. Weldenkend Nederland reageert geschokt, schiet op zijn beurt in een anomische crisis en heeft het gevoel aan de populisten te zijn overgeleverd. Zij die de moslims tot zondebok hebben gemaakt worden op hun beurt geëtiketteerd als hufters, proleten en negatievelingen. Een citaat: ‘Ze zijn ongeïnteresseerd en eruptief’. Dit zegt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in haar studie over de religie in het publieke domein. We hebben het dan over zo’n 18% van de Nederlanders.

Hier ligt een taak voor vrijzinnigen. Juist door die mentaliteit van tegelijkertijd relativeren en accepteren van waarden, vooral op het existentiële vlak. Juist door het altijd in de beschouwing betrekken van het al te menselijke dat de vrijzinnigheid eigen is, kunnen de vrijzinnigen een essentiële bijdrage leveren aan de bevrijding van de chronische anomische crisis waarin Nederland zichzelf gevangen houdt.

Voor mij is vrijzinnigheid dus geen religieuze of politieke stroming of doctrine die door wat goedwillende mensen in stand wordt gehouden, maar die door de meerderheid als passé wordt beschouwd. Voor mij is vrijzinnigheid een mentaliteit en als zodanig een noodzakelijke voorwaarde om onze samenleving fatsoenlijk te houden. Vrijzinnigheid is een belangrijke optie bij de redding in een samenleving die aan ontwrichtende veranderingen is blootgesteld.

En wat mij betreft de enige. Naar mijn smaak is vrijzinnigheid de enige mogelijkheid om de multiculturele samenleving leefbaar te houden en interessant te maken. Gelukkig heeft vrijzinnigheid als mentaliteit in ons polderlandje een ruime traditie waaruit we kunnen putten en die ons kan inspireren. Daarover wordt nogal eens meewarig gedaan: het poldermodel, de koopman als dominee of de dominee als koopman. Het wordt als één van de meer negatieve eigenschappen van de Nederlandse cultuur van de hand gewezen. Ten onrechte. De bereidheid de ander de ruimte te geven, zijn stem te laten tellen, zijn standpunt te laten gelden, heeft Nederland groot gemaakt. O, wat ben ik trots op Nederland.

Meerten ter Borg is bijzonder hoogleraar ‘Niet-institutionele religie in de hedendaagse samenleving’. Dit was zijn openingslezing op het symposium over ‘De Nieuwe Vrijzinnigheid’ aan de Universiteit Leiden op 5 april j.l.


Datum publicatie: 16-05-2008

Bron: www.waterlandstichting.nl